Nostalgie – Een column over het leven in Portugal

Tessa’s laatste roman, Liefde in Pangea, speelt zich deels af in de Portugese Algarve, waar zij woont en werkt. Een paar jaar geleden schreef zij enkele columns over haar leven daar. Hieronder één daarvan, oorspronkelijk gepubliceerd in Méditerranée.

Nostalgie

Nuno is erg gevoelig. Hij is historicus en voelt zich ontheemd in de tijd waarin wij leven. Het heden is voor hem een monstrueuze constructie van beton en staal, volgestouwd met elektronica. Hij verlangt met hart en ziel naar de tijd dat zijn grootvader nog leefde en diens landgoed, zo’n tachtig kilometer ten noordoosten van Coimbra gelegen, nog van de familie was.

Natuurlijk heeft Nuno geen rijbewijs en verplaatst hij zich uitsluitend, zij het met tegenzin, per trein of bus. Hij vertelde me dat hij sinds de dood van zijn grootvader, twintig jaar geleden, niet meer in het dorp was geweest waar hij als kind zijn vakanties doorbracht. Toen ik voorstelde er op een mooie zondag heen te rijden viel hij me van pure dankbaarheid om de hals.

Het werd een gedenkwaardige tocht. Ooit moest het een welvarende streek zijn geweest. Overal in de heuvels stonden schilderachtige, door eeuwenoude bomen omgeven quinta’s te dromen van betere tijden. Sommige waren zo verwaarloosd, dat ze niet meer te redden waren.

Nuno was opgewonden. Kijk, dat is de quinta van de buren! Daar was ieder jaar een geweldig oogstfeest, waar alle mensen uit het dorp welkom waren. Er speelde een accordeonist en er werd gezongen en gedanst… En dat was de boomgaard van mijn opa en daarnaast, in dat gebouw, werd de olijfolie geperst… Knoestige olijfbomen stonden knorrig in het gelid, in geen tijden meer gesnoeid. Bij de toegangspoort tot de quinta riep Nuno: ‘Stop, stop!’ Hij viel bijna uit de auto, zoveel haast had hij toen hij het portier openduwde. De poort, gedecoreerd met barokke krullen, was zo groot dat je het huis niet kon zien. Vergeefs rammelde Nuno aan de zware deuren. Die gaven geen millimeter mee. Toen tot Nuno doordrong dat hem de toegang tot zijn verleden resoluut geweigerd werd brak hij in tranen uit. Met zijn voorhoofd tegen het verveloze hout leunend stond hij te snikken, en zijn schouders schokten mee.

Ik liep maar een beetje op en neer, hem op eerbiedige afstand aan zijn verdriet overlatend. Het rook er verrukkelijk, naar eucalyptus, mimosa en sinaasappelbloesem. De hemel was strakblauw, in de verte schemerden de bergen. Ze wisten wel wat het goede leven was, vroeger… Those were the days.

Nadat Nuno zijn tranen had gedroogd reden we verder. Hij raakte maar niet uitgepraat over het verval der tijden. De mensen wisten niet meer hoe het leven eruit hoorde te zien. Toen hij als kleine jongen aan de hand van zijn grootvader over diens landerijen wandelde was hij gelukkig geweest, puur gelukkig. Zo eenvoudig kon het zijn…

Nuno woonde ten tijde van ons uitstapje met zijn moeder in een huis met vijftien kamers, dat gelegen was in het oude centrum van Coimbra. Het was zo boordevol antiquiteiten gepropt dat er alleen leven mogelijk was in de keuken. Daar stonden een paar behaaglijke stoelen, naast een elektrisch kacheltje voor de winter. Verder was het afzien in dat huis, maar Nuno koesterde het vurig: zonder dit laatste overblijfsel van de familiebezittingen zou hij onherroepelijk verloren zijn.

Inmiddels droomde zijn ouder wordende moeder heimelijk van een moderne flat. Op een dag, toen hij even niet oplette, heeft ze het huis zomaar verkocht. Sindsdien praat hij niet meer met haar – ze heeft haar eigen kind geofferd, voor een beetje modern comfort.

quinta